Geschiedenis van Suriname

 

Suriname is een republiek met de president als staatshoofd. Op 25 november 1975 verwierf Suriname haar staatkundige onafhankelijkheid. Volgens historici voert de geschiedenis van Suriname terug naar duizenden jaren voor Christus toen de Indianen het gebied aan de Noordoostkust van Zuid-Amerika reeds bewoonden. Na veroveringen, de slavernijperiode, de onafhankelijkheid, de revolutieperiode, de binnenlandse oorlog  en de periode van democratisch herstel bevindt Suriname zich nu in een fase van bloei en ontwikkeling.

 

 

 

In mei 1499 voer Amerigo Vespucci onder leiding van Alonso de Ojeda langs de kust van de Guyana’s. Toen werd verwacht het Karaïbisch gebied in kaart te brengen. Ze ontdekten de “Guianas”. Dit omvat het gebied van de Orinocco tot het Amazone-rivier, ook wel de Wilde Kust genoemd. Het gebied werd in eerste instantie links gelaten wegens desinteresse aan de Spaanse kant.

 

 

 

Het verhaal ging dat er in het gebied van de Orinocco, een koning leefde, die zich in het meer van Parima zou baden. Deze koning, El Dorado (De gouden man), zou zich dagelijks bedekken met een laagje goud. Ook zouden er vele goudschatten te vinden zijn. Omstreeks 1550 werd mede door deze geruchten de interesse in de Guyana’s gewekt.

De Fransen, toen de Engelsen en daarna de Nederlanders gingen op pad om, net als de Portugezen en de Spanjaarden, handel te drijven in verre oorden waaronder Suriname. De Nederlanders bleven uiteindelijk het langst in Suriname. Op die oorden werden handelsposten gesticht. Goud, Gowtu, dat is wat de Europeanen aan hoopten te treffen in het binnenland van Suriname toen ze er eenmaal aankwamen. Die hoop werd al snel een illusie. Wat ze wel aantroffen, was een schitterend land. Een bewoond land…

In Suriname woonden al honderden jaren Indianen (inheemsen) toen de Europeanen er aankwamen. De Surinaamse indianen behoorden tot twee grote groepen: de Arowakken (kalina) en de Caraïben. Deze woonden toen nog langs de kust. Onderling voerden deze groepen, vanwege de Engelsen, regelmatig oorlog. Deze trokken de Caraïben namelijk voor de Arowakken. Landbouw, vooral het verbouwen van cassave, cacao, en tabak, zijn de meest bekende gewassen die van Indiaanse oorsprong zijn. Daarnaast werd er gejaagd in het binnenland en gevist in de Surinaamse rivieren.

In 1621 werd Suriname een zogenaamd octrooigebied van Nederland. De plantages werden overgenomen door de West Indische Compagnie (WIC) en bewerkt door aangevoerde slaven. De schepen van de WIC werden op pad gestuurd om te kapen en oorlog te voeren tegen de Spaans-Portugese zeemacht. In 1638 veroverden ze het Sint George fort (Fort Elmina).

Rond 1650 begonnen de Engelsen, onder leiding van Francis Willoughby, Suriname te koloniseren. Indiaanse leefgebieden werden ingepikt en de bevolking tot slaven gemaakt. Ze begonnen kleine nederzettingen te bouwen in het gebied om handel te drijven met de Indianen. Hun doel was om op suikerplantages veel winsten te gaan maken. De Indianen trokken steeds meer het binnenland in. De meegebrachte ziektes uit Europa leidde tot vele dood. Het door de Indianen gedane zware werk op de plantages werd niet geschikt bevonden. Er werd besloten om slaven te halen uit Afrika. Deze waren sterker en konden het zware werk in de felle zon aan. Veel van de slaven kwamen uit West-Afrika. Aan de West-Afrikaanse kust waren enkele forten. Deze dienden in eerste instantie ter verdediging van de andere Europese concurrenten die ook handel wilden drijven. Het ging meer om de forten aan de kust. De rest van het Afrikaanse land was in beheer van de eigen Afrikaanse bevolking.

Fort Elmina (Fort Sint George) in Ghana

De Nederlanders kregen in 1665 aanspraak op de gebieden Suriname en de Antilliaanse eilanden (ABC-eilanden, Saba, Sint-Eustatius en Sint Maarten).

In 1667, toen Engeland met Nederland in oorlog was, werd de kolonie bij de Surinamerivier veroverd door Nederlanders. In ruil hiervoor moesten ze de provincie Nieuw-Nederland (Nieuw-Amsterdam later New York) inleveren. Dit werd besproken in het verdrag: “De Vrede van Breda”. Het fort dat de Engelsen hadden gebouwd kreeg een nieuwe naam, Fort Zeelandia. Bovendien werd het stadje rond het fort omgedoopt tot Nieuw-Middelburg. Die naam verdween al snel weer om plaats te maken voor Paramaribo.

De Nederlandse kolonisten wilden de plantagelandbouw ter hand nemen, maar ze werden in de jaren vaak aangevallen door groepen Indianen. Ze vielen de plantages aan en vernietigden ze. In 1675 was er een guerrillaoorlog gaande tegen de kolonisten en dit leidde haast tot het einde van de kolonie. In 1686 sloot Gouverneur Van Aerssen van Sommelsdijck, vrede met de Indianen. Bij deze vredesmissie beloofden de kolonisten onder meer dat ze de Indianen niet meer als slaven zouden inzetten en zij zich overal vrij mochten vestigen. Hierna vormden de indianen geen bedreiging meer voor de kolonisten. Dit gold niet voor de Marrons. De strijd tussen de Marrons en de kolonisten duurde nog tot 1760 voort. Daarna werd het Vredesverdrag van 1760 gesloten met de Aukaners (Ndyuka).

Vandaar dat vanaf 1974, 10 oktober een nationale feestdag is: Dag van de Marrons. Het verdrag had wel wat punten waarin onder andere vrijheid en aangewezen gebieden om te vestigen. Vaak op grote afstand van de plantages. In ruil daarvoor moesten de Aukaners weggelopen slaven uitleveren aan de kolonisten. Het weglopen van de slaven, ook wel marronage genoemd, bleef nog enige tijd doorgaan. In 1762 volgden de Saramacaners (Saamaka) en in 1769 de Matuariers (Matawai).

Aangezien er geen goud te vinden was, dachten de Nederlanders er dan maar gewassen te verbouwen. In Suriname kwamen steeds meer plantages, waar tropische producten als koffie, suiker, tabak en cacao werden verbouwd. Als werkkrachten werden slaven uit Afrika overgebracht naar de kolonie. De driehoeksreis begon in Nederland. Handelswaar zoals geweren, schelpen en buskruit werd verscheept naar de kust West-Afrika, de Goudkust. Daar werden slaven gekocht via de WIC-kantoren aan de kust. Ook Afrikaanse handelaren deden eraan mee omdat er veel geld mee te verdienen viel.

Verschil is wel dat de Afrikaanse handelaren met stammenoorlogen slaven buit maakten, of om een schuld te vereffenen. De blanken voelden zich beter en behandelden ze ook als vee, Kroesvee noemden ze dit ook. Ze boden geld voor het aanleveren van slaven. Door deze trend begon er in Afrika ook een heel andere trend. Dieven, misdadigers werden nu verkocht zodat je er vanaf was, maar er werd ook vaker invallen gedaan bij stammen om jonge mensen gevangen te nemen en te verkopen aan de blanken. De slavenraids. Deze hadden steeds meer slaven nodig en de prijzen ervoor gingen omhoog. De slaven werden door artsen gekeurd op gezondheid en of ze er sterk genoeg uitzagen en dus lang “meegingen”. Daarna werden ze gebrandmerkt en aan boord geladen. Volledig naakt….

Deel twee van de driehoeksreis was de reis van West-Afrika naar Suriname. De kapiteins moesten ervoor zorgen dat de slaven goed en gezond op de bestemming aankwamen. Ook maar omdat ze er zoveel betaald voor hadden. De reis duurde wel maanden tot ruim een half jaar. Velen zijn onderweg gestorven door de erbarmelijke omstandigheden aan boord. Sommige werden van boord gegooid. Ook waren er vele in opstand gekomen en vielen de bemanning aan. Wat wil je als je helemaal niet weet wat er met je gaat gebeuren of waar je heen gaat. Sommige dachten dat ze opgegeten zouden worden door blanke kannibalen. Wisten zij veel! In totaal hebben de Nederlanders ruim 500.000 Afrikanen vervoerd naar de koloniën.

Bij aankomst in Suriname werden de slaven verkocht aan de hoogste bieder en kregen een tweede brandmerk van de volgende eigenaar. Precies als vee. De slaven werden niet als personen gezien maar als roerende goederen.

Deel drie van de driehoeksreis hield in dat met de opbrengst van de slavenverkoop, handel zoals koffie, suiker en katoen werd gekocht en weer met grote winsten in Nederland werden verkocht. Dit hele traject werd de “Driehoekshandel” genoemd.

De slavernij is een mensonterende periode uit de geschiedenis geweest. Slaven die letterlijk eigendom waren van de plantage eigenaren. Hoewel er in de loop van de tijd wel enkele wetten kwamen om hen te beschermen, waren ze eigenlijk overgeleverd aan hun eigenaren. In 1814 werd de slavenhandel in Suriname al grondwettelijk verboden. Men besloot om de leefomstandigheden van de slaven te verbeteren vanwege de enorme sterfte onder de slaven. Pas in 1828 werden er zaken geregeld wat betreft werktijden, onderdak, eten, kledij en gezondheidszorg. Vanaf nu werden slaven ook als mens erkend.

Het was een heel zwaar leven voor de slaven op de plantages. Regelmatig kwamen ze in protest en organiseerden ze grote verzetsacties. Sommige probeerden soms weg te lopen van de plantages. Werd je gesnapt kreeg je zweepslagen of andere zware straffen. Velen lukte het om het binnenland in te gaan. In het binnenland ontstonden daardoor dorpjes, gesticht door deze weggelopen slaven, de marrons.

In 1863 werd in Suriname eindelijk de slavernij afgeschaft. Toch duurde het nog 10 jaar voordat de ex-slaven ook echt vrij waren. Ze werden na dat jaar verplicht om nog 10 jaar op de plantages te blijven werken als werknemers. Dat is nog 21 jaar nadat Frankrijk de afschaffing bekendmaakte en bijna 30 jaar na de Engelsen!

De plantages moesten op zoek naar nieuwe werknemers, vandaar dat van hen werd gevraagd, nog 10 jaar door te werken tot ze nieuwe krachten hadden gevonden. De oplossing vonden de plantage-eigenaren in de contractarbeid. Vanaf 1873 werden daarvoor Hindoestanen uit Brits-Indië (vroegere India) naar Suriname verscheept, die zich contractueel hadden verplicht om 5 jaar op plantages te werken in Suriname. Na deze periode konden ze een stukje grond krijgen en 100 gulden of een terugreis naar het land van herkomst. Velen bleven in Suriname en werden Eerder al werden via dit soort contracten kleine groepen Chinezen naar Suriname gebracht. Deze kwamen vaak uit Hong Kong.

In 1890 kwam er ten slotte nog een bevolkingsgroep bij in Suriname. De Javanen werden ook contractarbeiders. Deze kwamen uit Java, in het toenmalige Nederlands-Indië overgebracht. Java was toen een kolonie van Nederland. Het merendeel van deze mensen bleef na hun contractuele arbeidstijd in Suriname wonen.

De Tweede Wereldoorlog werd voor Suriname een stap naar iets betere tijden. Nederland was bezet door de Duitsers, terwijl Suriname een vrij gebied bleef. Amerikanen kregen interesse in het vele bauxiet die in de grond zit. Veel werkgelegenheid werd er verschaft voor de bauxietmijnen, aanleg van het vliegveld Zanderij en aanleg van militaire installaties. In 1954 kreeg Suriname inderdaad meer interne autonomie. De totstandkoming van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden was een feit, maar het zou nog tot 1975 duren voordat het land ook daadwerkelijk onafhankelijk werd.

De onafhankelijkheid van Suriname was niet iets waar iedereen achter stond. De Hindoestanen waren bijvoorbeeld bang dat de creolen ze zouden onderdrukken. Daar hadden ze lering van getrokken van buurland (Brits-) Guyana. Creolen dachten dat het land het niet zou redden zonder de hulp van Nederland. Na de verkiezingen van 1973 en met instemming van Nederland in 1974, ontstond er nog onvrede onder de bevolking. Suriname zou het economisch gezien niet kunnen bewerkstelligen. Er werd gedemonstreerd en duizenden Surinamers vertrokken massaal naar Nederland.In 1975 was het dan toch echt zover: Suriname werd onafhankelijk.

Surinamers emigreerden nog echter massaal in 1975 naar Nederland. Ondertussen in 1976 groeide de saamhorigheid onder de rest van de bevolking. Nederland zou zorg dragen voor de ontwikkeling van Suriname. Ze beloofden 3.5 miljard gulden ontwikkelingshulp. Dit nieuws zorgde er weer voor dat de migratiecijfers drastisch daalden. In een ontwikkelingsplan werd er beschreven hoe men dit geld zou besteden ten behoeve van de opbouw van het land. Ontsluiten van Paramaribo als enige grote stad, meer bedrijven en industrie stonden onder andere in het plan beschreven.

Een paar jaar later was er van het optimisme weinig meer te zien. Plannen werden niet gerealiseerd en er was weer sprake van armoede en emigratie. In 1980 vond een staatsgreep plaats. De bevolking steunde deze vanwege de loze beloften die niet uitkwamen. Het volk had hoop dat Bouterse het land tot ontwikkeling kon brengen. Er werd door de meerderheid positief gestemd en gesteund, waardoor uiteindelijk legerofficier Bouterse tot twee keer toe als interim-president, in 1980 en 1982, aan de macht kwam. De in december 1982 beruchte Decembermoorden, die onder zijn regime plaatsvonden zijn een nog altijd voortlevend trauma onder veel Surinamers. Het geld voor ontwikkelingshulp vanuit Nederland werd daardoor stopgezet. Tevergeefs werd er in 1984 met democratische hervormingen geprobeerd zielen terug te winnen.

In 1987 werd de democratie hersteld in Suriname. Het land verkeert economisch nog steeds in zwaar weer, hoewel het de laatste jaren iets opgekrabbeld lijkt. Hopelijk zet die trend zich door, want Suriname is het waard. Het land heeft ongelooflijk veel natuurlijke hulpbronnen en bijzonder veel mogelijkheden voor eco-toerisme. Net als velen heb ik altijd een goed gevoel na een bezoek aan Suriname. Vandaar dat ik meer mensen het zelfde gevoel en ervaring wil laten voelen.

Monument voor de Javanen